Met Royal Jordanian stegen we om 13u20 op naar Amman in Jordanië waarbij de vlucht ongeveer 4u45 zou duren. De piloot gaf bij het taxiën naar de baan plots een korte duw op zijn rempedaal zodat het toestel even blokkeerde en bijna de bocht miste en iedereen kreeg een gevoel van “welke leerling-piloot zat hier aan het stuur”. Alles ging echter goed en we kwamen op tijd aan om 19u05 plaatselijke tijd (1u later dan bij ons) In Amman moesten we 2u wachten voor we konden opstijgen naar Damascus in Syrië. Deze keer vlogen we met een heel klein toestel van amper 68 passagiers dat al hotsend en botsend landde op Syrische bodem.
De luchthaven in Damascus was een echte ravage, het leek alsof orkaan weet-ik-veel daar net gepasseerd was. De hal (als je het zo kon noemen) lag vol met lege petflessen, stukken karton, papier en plastiek. We zijn al op heel wat plekken geweest maar dit was weer iets unieks. Als dit een voorbeeld was van hoe het er in het land aan toe ging, zouden we nog heel wat meemaken.
Terwijl onze begeleider de visa regelde voor iedereen, stonden we ons af te vragen of nu echt niemand die hele rotzooi zou samen vegen. Na een tijdje kwam er inderdaad een vrouwtje te voorschijn met een bezem en zij veegde de hele boel op verschillende hoopjes. Daar bleef het echter bij en alles bleef weer liggen. Als je zag wat ze maar presteerde gedurende de tijd dat wij daar stonden te wachten, dacht ik dat ze er nog wel een week of twee zou over doen om alles opgeruimd te krijgen. Maar ja, dit was Syrië, wat vandaag niet klaar was, dan misschien morgen wel.
We moesten daarna nog wel een eindje rijden naar het Al-Iwan Hotel. Op de hoek aan het Hotel was een sapwinkeltje waar we nog een cola dronken voor het slapengaan. We waren immers in Syrië, een moslimland en hier was geen alcohol te krijgen. Rond 1u doken we in ons bed waar we eerst de slaap niet konden vatten en dachten aan Syrië en onze rondreis die de volgende dag zou starten.
We gingen met de hele groep te voet op weg naar het Nationale Museum dat een voorgevel had van een paleis uit de Ottomaanse tijd. Links hadden we de afdeling van de Grieks-Romeinse klassieke tijd en rechts konden we de overblijfselen en kunstvoorwerpen van oud en modern Syrië bekijken. Aangezien we niet zo’n fervente museumbezoekers zijn, liepen we al vlug weer in de schaduwrijke tuin met stukken die men niet meer kwijt kon in het museum. Naast het museum was de Takiyeh Suleymani, een moskee uit de Ottomaanse tijd, de 16e eeuw.
We liepen naar het oude treinstation dat niet meer in gebruik was maar wel nog heel prachtig van binnen met zijn vele muurschilderingen.
In de citadel van Damascus konden we niet binnen en daarom liepen we de belangrijkste markt van Damascus, de Souq Al-Hamadiyeh door, een lange, brede overdekte soek met een speciale sfeer die veroorzaakt werd door de zonnestralen die door het ijzeren dak kwamen binnen vallen. Aan het eind van de soek liepen we door de poort van Jupiter, een overblijfsel van een Romeinse tempel, de imposante Umayyad Moskee binnen. Aan de ingang kregen alle vrouwen een lange, wijde en bruine cape aangereikt om het lichaam en het haar te bedekken. Hilariteit alom en het leverde uiteraard de nodige foto’s op. De moskee met een binnenplaats vol mozaïeken en mooie vloerstenen, de minaretten, de schatkamer en de fontein waar men het hoofd, de voeten en de handen wast voor het betreden van de moskee was prachtig. Door het gebed mochten we niet meteen de moskee in en we bezochten eerst het mausoleum van Saladdin uit 1193. Binnenin was de moskee ook enorm met achteraan de bidplaats voor de vrouwen en helemaal aan het eind het schrijn van Johannes De Doper, hier zou zijn hoofd begraven liggen.
Na het bezoek aan de moskee gingen we lunchen in een toeristenrestaurant, broodje shoarma, eenvoudig maar wel lekker waarna we een bezoek brachten aan het Al Azem Paleis, het paleis van de gouverneur van Damascus en gebouwd tussen 1749 en 1752, met zijn kamers met originele beschilderde plafonds, houten panelen en niet-originele meubelstukken. De binnentuin was heel rustig en wij gingen al gauw op een muurtje zitten om alles en iedereen gade te slaan.
Daarna liepen we naar de Christelijke wijk en brachten een bezoek aan de kerk van Sint Ananias, vroeger een gewoon huis en later tot kerk omgevormd. Hierna hadden we zin in een biertje en aangezien we in de Christelijke wijk waren, moesten we hiervan profiteren want in de andere wijken waren veel plaatsen alcoholvrij.
’s Avonds gingen we met Erik en Mia eten in Aboe Kamal Restaurant, heel lekker eten maar weerom geen alcohol en dus gingen we na het eten nog een biertje drinken in het Entrecote Café de Paris, een eindje verderop. Het was alweer na tienen eer we in ons bed lagen.
Om 8u vertrokken we met een heel grote bus waar iedereen apart op een bank kon zitten naar de Crac de Chevaliers. De bus was pure luxe, dat hadden we soms wel anders meegemaakt op eerdere reizen. Onderweg stopten we in Malula, een Aramees stadje waar ze nog steeds het Aramees, de taal van Jezus, spraken. Malula was een leuk bergdorpje met in het geel of lichtblauw geschilderde huizen. Ons eerste bezoek was aan het klooster van Sint-Sergius dat bovenop de berg gelegen was. Sommige delen dateerden uit de 4e eeuw en door een heel lage deur kwamen we binnen in het klooster met een kleine Byzantijnse kerk met een speciaal halfrond altaar. Aan de muren hingen schitterende iconen uit de 13e eeuw. De meest prachtige en in het oog springende icoon was een combinatie van de kruisiging en het laatste avondmaal. Deze icoon was 2 jaar en 7 maanden gestolen geweest en werd per toeval terug gevonden in 1997. Buiten aan de bergwand zagen we grote gaten die een overblijfsel waren van de woonst van de vroegere bewoners. Vroeger waren er nog geen huizen en de mensen woonden toen in deze grotten.
Door een smalle, hoge kloof liepen we naar beneden naar het dorp toe. De kloof was een klein voorsmaakje van de siq in Petra, de wandeling was kort maar geweldig mooi. In het dorpje zelf was het klooster van Sint-Tecla met weer een kerk met een aantal iconen en het huidige graf van de heilige Tecla.
Na de koffiepauze in een restaurant met zicht op het dorpje Malula reden we door naar de Crac de Chevalier. Het eerste zicht op deze gigantische 800 jaar oude kruisvaardersburcht was overweldigend. De burcht werd gebouwd op een strategische plaats en werd lange tijd niet veroverd door zijn unieke ligging bovenop de berg. Na een aantal aanvallen moesten de kruisvaarders toch capituleren in 1271. Bepaalde kenmerken zoals de grote ontvangstzaal en de kerk waren duidelijke tekenen dat het kasteel door kruisvaarders gebouwd werd. De muren waren metersdik en er waren ontelbare schietgaten. De verschillende zalen waren enorm en de burcht straalde macht en glorie uit. Binnen en buiten het kasteel kon je in feite uren rond lopen en van op de buitenmuren met zijn 13 torens hadden we een magnifiek uitzicht op de omgeving. Zonder een bezoek aan deze topbezienswaardigheid was deze reis naar Syrië zeker niet compleet geweest.
Na de Crac reden we richting hotel waar we nog even stopten aan de kerk van St. George, een mooie Grieks Orthodoxe, Byzantijnse en kruisvaarderskerk. In de kerk was juist een huwelijksplechtigheid aan de gang. Rond 17u kwamen we aan in Hotel Al-Wadi met zijn gigantisch grote kamers en badkamers. Vanuit onze kamer hadden we een mooi uitzicht op de Crac. ’s Avonds gingen we rechtover het hotel in Restaurant Monza een pizza eten.