Indonesie dag 4 tot 6

Dag 4: zondag 19 oktober

Om 7u15 vertrokken we in zuidelijke richting om via het binnenland van Sumatra het Tobameer te bereiken. In Bukit Lawang, dat in een origineel tropisch oerwoud lag, bestonden verschillende bevolkingsgroepen, een echte mix van mensen. Aan het Tobameer echter was het centrum van de Batak cultuur. Hier waren de mensen christelijk en er heerste een andere sfeer dan in het noorden.

Onderweg zagen we ontelbare plantages van oliepalm, rubber en cacao. Het rubber werd gewogen en opgekocht door een fabriek en de stank was echt verschrikkelijk. 

In Indonesië was de zondag een vrije dag. De islam had de meeste aanhangers maar het  was geen officiële staatsgodsdienst want er waren meerdere godsdiensten,

Bali was Hindoeïstisch en aan het Tobameer was men christelijk. Indonesië volgde de westelijke kalender.

Vrijdag was voor de islamieten een vrije dag en dan werden de meeste handelszaken om 12u gesloten.

Om een goede islamiet te zijn, moest men zich houden aan 5 regels:

  1. Allah erkennen als enige god
  2. geven aan de armen
  3. 5 maal per dag bidden
  4. indien men de middelen had een bedevaart doen naar Mekka
  5. respecteren van de vastenmaand

Wanneer een islamiet een goed leven leidde, kreeg deze goede punten. Deed hij dat niet dan kreeg hij slechte punten. Op de weg naar het hiernamaals, moest men een brug oversteken die bedekt lag met glasscherven. Deze brug was aanzienlijk korter naarmate men een goed leven leidde.

Als goede islamiet kon men 4 vrouwen hebben mits men financieel draagkrachtig genoeg was. Er waren wel een paar regels want de eerste vrouw moest toestemming geven opdat de man meer vrouwen kon nemen. Sociaal gezien echter werd polygamie echter niet geaccepteerd.

Bij islamitische begraafplaatsen onderweg zagen we een hoop mensen die de graven van de voorouders schoonmaakten ter voorbereiding op de heilige vastenmaand die dit jaar begon op 27 oktober.

We zagen ook christelijke graven op familiegrond rondom de huizen, hier werd dat in tegenstelling tot bij ons, nog toegelaten.

De officiële taal het Bahasa Indonesia was een gemakkelijke taal en dus ook gemakkelijk aan te leren. Het was een taal zonder vervoegingen, zonder meervouden, zonder tegenwoordige of verleden tijd. De bevolking was echter wel tweetalig, ze beheersten het Bahasa Indonesia maar ook nog een lokale taal of spreektaal. In Indonesië waren er een paar honderd verschillende lokale talen.

Onderweg zagen we grote betonnen gebouwen met hoge zijkanten. Deze leken op handelszaken maar waren het echter helemaal niet. Aan de zijkanten waren kleine gaten om zwaluwen naar binnen te laten waar een open ruimte was waar ze nesten konden bouwen. De jongen werden verkocht aan de Chinezen voor consumptie.

Na het koffie drinken reden we naar het Tobameer gelegen op 900 meter hoogte. Het was 80 km lang en 30 km breed en het was ontstaan in de gigantische krater van een miljoenen jaar geleden geïmplodeerde vulkaan.

In Prapat namen we de ferry en na een 30 tal minuten kwamen we aan in hotel Toledo Inn in het plaatsje Tuk Tuk op het eiland Samosir. ’s Avonds gingen we eten bij Leo’s Restaurant. Het viel ons op dat er nergens, ook niet in de andere restaurants, een mens te bekennen viel. Het was hier duidelijk laagseizoen. Bij Leo was het juist Happy Hour maar dit was anders dan bij ons. In plaats van 2 biertjes voor de prijs van 1 was de prijs van een biertje nu 12.000 Rp in plaats van 15.000 Rp.

 

Dag 5: maandag 20 oktober

We gingen samen met Amy, Laura en Marijke, die we nog kenden van onze Bolivia reis en waarmee we altijd in contact waren gebleven, fietsen huren voor een ritje op het eiland Samosir dat gevormd was bij een tweede vulkaanuitbarsting. Het was een vulkanisch vruchtbaar gebied met veel rijstvelden en fruitbomen. Langs de rand van het eiland liep 1 weg terwijl het binnenland bestond uit een bergketen en een houtkapplantage.

Tuk Tuk zelf was kleinschalig en volgebouwd met hotels, restaurants en winkeltjes. We  reden richting Tomok en zagen al spoedig de traditionele huizen met de zadeldakconstructie. Deze huizen waren gebouwd op palen in de vorm van een boot.

Er was gelukkig niet veel verkeer want er werd links gereden en daardoor was het even aanpassen. De weg was tamelijk heuvelachtig met veel klimmen en dalen en aangezien we niet zo sportief waren, moesten we regelmatig afstappen (enfin ja, ik toch)

In Tomok stopten we aan een marktje waar ze fruit, groenten en vis verkochten. Deze dagelijkse marktjes waren altijd een bezoekje waard. Hier konden we de plaatselijke bevolking tijdens hun dagdagelijkse handelingen bekijken.

Nadien reden we naar Ambarita. Daar bezochten we de “Stone Chairs”, een groep van  traditionele huizen en graftombes. Dit was een historisch plek waar vroeger recht werd gesproken. We zagen de stenen zetels met beelden en de executieplek. De persoon in kwestie die een misdrijf had gepleegd werd in stukken gehakt en opgegeten.

Het was stralend weer, heel warm en zonnig en op verschillende plekken hadden we een schitterend uitzicht op het Tobameer. We leverden de fietsen in en gingen een biertje drinken. ’s Avonds gingen we eten bij Popy’s restaurant en weer viel het ons op dat hier helemaal geen toeristen waren. Alle restaurants waren leeg en vele daarvan waren er dan ook niet op voorzien om toeristen te eten te geven. Bij Popy’s konden we wel eten krijgen maar aangezien we met vijf personen waren, duurde het wel erg lang, meer dan een uur zelfs. De vrouw had een baby om het middel gebonden met een doek en enkel geholpen door een klein meisje maakte zij het eten voor ons klaar. Ondanks het lange wachten, smaakte het erg lekker.

 

Dag 6: dinsdag 21 oktober

Om 7u vertrokken we voor een 2 daagse tocht door het binnenland van Sumatra waarvan we deze dag 350 km zouden afleggen. We volgden de Trans Sumatra Highway, een smalle tweebaansweg van het noordelijkste punt (Aceh) tot het zuidelijkste punt van het eiland. De weg liep parallel aan een hele bergketen en was ongeveer 2500 km lang. Hij was voltooid in 1985 maar was al in een heel slechte staat door het vele vrachtvervoer, de corruptie die bij het aanleggen van de weg welig tierde en natuurlijke elementen. De bergketen was vulkanisch heel actief en er waren een paar breukvlakken en deze waren de oorzaak van wegverzakkingen en aardverschuivingen.

We zagen de aren palmboom. De bast van de boom bestond uit een zwartharige substantie die gebruikt werd als dakbedekking. Als men het sap van de vrucht fermenteerde, verkreeg men rijstwijn of palmwijn. Als men het sap uitkookte dan verkreeg men palmsuiker. De vruchten van deze bomen werden ook gegeten aan het einde van de vastenmaand als delicatesse.

We bezochten de dagelijkse markt in Balige en hadden lunch in Tahutung. Daar was juist een belangrijk persoon overleden en zagen we de Indonesische manier van rouwbetuiging. Langs de kant van de weg stonden grote borden met letters gevormd door bloemen. Dit waren de rouwtelegrammen die wij versturen bij een begrafenis.

Bij een koffieplantage zagen we de struiken waaraan de koffiebonen groeiden. Sinds een 5 tal jaren werd er meer koffie gedronken en was er dus ook meer koffieverbouw. Het vruchtje bevatte 2 bonen die geur - en smaakloos waren en pas als ze gebrand werden, kregen ze de typische koffiesmaak.

Naast de koffieplantage was een ananasplantage. De ananas groeide op lage struiken. Het was de eerste keer dat ik een ananasplantage zag en de kleine struiken verbaasden me wel want ik had nooit gedacht dat ananas op deze manier groeide.

We reden verschillende rijstplantages voorbij. Er waren twee soorten: natte rijst en droge rijst. Natte rijst stond in een nat veld, een sawa. De rijst groeide heel hard, dus het was efficiënt en alles ging veel sneller. Maar voor deze rijst hing alles af van de locale tradities vb nomadenvolken want er was aanvoer nodig van water door irrigatiekanalen van verafgelegen rivieren of bergmeren.

De droge rijst stond in een droog veld en groeide een beetje zoals het graan in ons land. Er was de traditionele soort, dit was de duurdere rijst met een lekkere smaak maar voordat men kon oogsten, duurde het 7 maanden. Er was nu een nieuwere variant die sneller groeide en kon geoogst worden op 4 maanden maar niet zo lekker was.

Na een aantal cyclussen moest men het veld laten braak liggen. Alles hing af van de vruchtbaarheid van de grond maar men kon dan wisselbouw doen met uien, chili, pepers of aardappelen.

Soms zagen we eenden in een rijstveld. De eigenaar van het veld verhuurde het braakliggende terrein aan de eigenaar van de eenden waarna deze door het veld ploeterden om voedsel te zoeken. In ruil kreeg de grondeigenaar dan een deel van de eieren.

Kinderen gingen 6 dagen per week naar school. Er was onderwijsplicht tot 15 jaar maar in de praktijk gingen de meeste kinderen maar tot hun twaalfde jaar naar school. Er was het algemeen openbaar onderwijs dat bestond uit een lagere school (uniform was wit met rood broekje of rokje), lager middelbaar ( donkerblauw met wit) en een hoger middelbaar ( grijs met wit). Er bestond ook een bijzonder onderwijs, dit waren scholen die gebaseerd waren op godsdienst, christelijke scholen droegen een wit uniform en islamitische scholen hadden een groen uniform. Ook in ver afgelegen gebieden was wel een lagere school. 80 tot 85 % van de mensen waren analfabeet wat vrij hoog was voor een ontwikkelingsland. Kinderbijslag of studiebeurzen bestonden niet dus het was niet altijd gemakkelijk voor de ouders en daarom werden veel kinderen van school gehouden om geld te verdienen. Studeren gaf geen enkele garantie op werk want dit was een kwestie van vriendjespolitiek.

Het minimum loon van een ongeschoolde fabrieksarbeider was per provincie verschillend maar voldeed meestal niet voor het dagelijkse levensonderhoud. Daarom hadden de meeste Indonesiërs verschillende inkomstenbronnen. Naast hun gewone werk verkocht de man soms nog satés in een stalletje terwijl de vrouw nog een kioskje had aan huis. De kinderen moesten daarbij nog bepaalde dingen gaan verkopen of meehelpen in huis. Ambtenaren werden het slechtst betaald maar zij kregen nog een pensioen terwijl de gewone burger daar geen recht op had. Bij de hogere ambtenarij kwam daardoor veel corruptie voor.

We stopten bij een stalletje waar ze durian verkochten. Deze vrucht stonk verschrikkelijk en werd daardoor soms ook verboden in hotels en vliegtuigen. In de late namiddag bezochten we een kruidenplantage met peper, kardemom, vanille, aubergine, gember en andere.

Rond 19u kwamen we aan in Payanbunan in Hotel Paya Loting, een sjiek maar duur hotel waar het bier 22.000 Rp kostte.

                                                          volgende pagina       home